Home > ‘Voor bodem en ondergrond is nú een paradigmashift nodig’

‘Voor bodem en ondergrond is nú een paradigmashift nodig’

05-07-2022
‘Zeker twintig jaar is de bodem vooral als een probleem gezien; verontreinigd, smerig dus. Nu maken we een omslag. Onze bodem wordt als een antwoord gezien voor grote maatschappelijke opgaven. Dat vereist een andere manier van denken en doen. Niet meer sectoraal, maar integraal’, aldus Piet Otte, coördinator Programma Bodemkwaliteit bij het RIVM. 


Piet Otte – eigen foto

Aandacht voor beheersing
De afgelopen jaren drie jaar is de maatschappelijke en politieke belangstelling voor de bodem sterk gegroeid, constateert Piet Otte tevreden. ‘Niet in de laatste plaats door thema’s als klimaatverandering en energietransitie, die een duidelijke relatie met het werkveld bodem en ondergrond hebben. Maar ook door nieuwe stoffen die we in de bodem vinden, zoals PFAS. Of door de stikstofproblematiek, waaraan ook een bodemcomponent zit. Voor die tijd was de aandacht vooral gericht op maatregelen voor bescherming en herstel. Met veel (complexe) regels, maar ook met veel innovatieve technieken. Daar hebben we ook internationaal grote waardering voor gekregen. Nu is naast de aandacht voor bescherming, aandacht aan het komen voor beheersing én duurzame benutting. De zorg voor de bodem, zoals je een plant water geeft, om te groeien en te oogsten. Om de bodem de kansen te geven die het biedt waar het gaat om de bijdrage aan actuele maatschappelijke opgaven’.

Bijdrage aan circulaire economie
‘De bodem en ondergrond’, vervolgt Otte, ‘kunnen veel betekenen in zaken als de klimaatadaptatie, de energietransitie (versneld door de oorlog in Oekraïne) en het leveren van grondstoffen. De toepassing van secundaire grondstoffen op de bodem dient met zorg te gebeuren – het hergebruik van primaire bouwstoffen kan zo worden verminderd – dat bijdraagt aan een circulaire economie’. Hij noemt ook de verduurzaming van de landbouw als belangrijk aandachtspunt wanneer het gaat om het beheren van de bodem. ‘Europa stelt doelen voor landgebruik en herstel van de biodiversiteit waaraan wij in Nederland nog hard moeten werken’.   

Integrale benadering
Die veranderende opgave, stelt Otte vast, vraagt veel. ‘We moeten af van een sectorale benadering zoals we de afgelopen decennia gewend waren te werken. Waar we naar toe moeten is een integrale benadering van de opgaven en het vinden van samenhangende oplossingen’. Hij verwijst naar het kabinetsbeleid waar bodem en water sturend worden bij de verdere inrichting van ons land. ‘Dat vraagt om een ander afwegingskader een andere set aan normen, en aan een ingrijpende herontwikkeling van de bodemsector. Een andere manier van kijken, van denken en van doen’.

Niet stapelen maar verweven
De kansen daartoe zijn er volop, stelt Otte. ‘Er is voldoende kennis voorhanden. Die moeten we nu gaan bundelen en integreren. Zodat we interdisciplinair kunnen gaan denken, onderzoeken en toepassen. Niet door voorwaarden te stapelen, dat loopt altijd vast. Maar door kennis te verwerven en in samenhang te brengen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt voor het bodemwatersysteem, als het gaat om locaties voor woningbouw, energievoorziening, biodiversiteit en ga zo maar door’. Het kan ervoor zorgen, zegt hij, ‘dat de ecosysteemdiensten optimaal benut gaan worden, zonder dat er milieugrenzen worden overschreden’. Hij maakt even een uitstapje naar zijn eigen organisatie. ‘Binnen het RIVM koppelen we ook kennis- en aandachtsvelden aan elkaar. Worden aspecten van de leefomgeving samengebracht met die van bijvoorbeeld gezond bewegen. En zo worden water en bodem bijeengebracht tot een bodemwatersysteem als voorwaarde voor een gezonde leefomgeving. Van elkaar en met elkaar verder leren en handelen, daar gaat het om’.

Rol voor ENBO
Hij kijkt ook naar het Expertisenetwerk Bodem en Ondergrond (ENBO), uitgever van deze nieuwsbrief, waarin hij namens het RIVM deelneemt aan het Regieteam. ‘We moeten ons actiever gaan opstellen’, stelt hij vast. Bij de ontwikkeling van de nieuwe landelijke en regionale kennisinfrastructuur kunnen we niet achterblijven. Daarin hebben we een belangrijke rol te spelen. We moeten actief gaan acteren binnen bijvoorbeeld de Regionale Steunpunten, maar ook veel meer binnen het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Aanhaken bij het KOBO, dat ook een belangrijke rol kan spelen in de nieuwe kennisinfrastructuur’. De kennisagenda bodem en ondergrond, die met de gezamenlijke overheden door het Dutch Soil Platform is opgesteld, geeft richting aan noodzakelijke kennisontwikkeling. Ook die agenda gaat uit van maatschappelijke opgaven en de rol van bodem en ondergrond.

‘Over tien jaar’, besluit Otte, ‘moet de bodem en ondergrondsector er heel anders uitzien, en zal er heel anders uitzien. Daarvoor moet nú een paradigmashift worden ontwikkeld, moet nú worden gewerkt aan dat moment waarop we fundamenteel anders gaat denken over het gebruik en de kwaliteit van bodem en ondergrond.’